Ontwikkelingshulp in West-Afrika: af en toe een zorgelijke blik is niet genoeg

Ik ben een Jovo. Alle kindjes in Benin zingen het naar me: “Jovo, Jovo, bonsoir! Ça va bien? Merci!” Dat bedankje gaat vooraf aan een vraag (in gebiedende wijs): geeft u mij een cadeau, geeft u mij geld, geeft u mij uw fiets.

Ik ben blij dat ik een slechts een passerende Jovo ben en geen dorpsgenoot, want dan ontkwam ik er niet aan om mijn bezit te delen totdat we allemaal even weinig zouden bezitten. Vragen staat in deze contreien erg vrij. Geven gaat ook heel makkelijk.

In Benin waar ik nu op vakantie ben en in Mali waar ik sinds een jaar woon, geeft Nederland (net als vele andere landen) al jarenlang vele miljoenen uit om ontwikkeling te brengen. Maar buiten de prachtige natuur ligt de boel er weinig florissant bij. Ik vraag me vaak af waarom mensen dat zomaar pikken.

Misschien hadden we al ons geld moeten steken in het opzetten van degelijke belastingdiensten. Dan zouden miljoenen West-Afrikanen hun regeringen kunnen vragen wat er met het geld uit de staatskas gebeurt. Of het bijvoorbeeld nou echt slimmer is om elke ambtenaar en politicus op een mooie fourwheeldrive te trakteren in plaats van voor datzelfde geld de gaten uit de weg te laten halen? Het zijn dan immers hun eigen zuurverdiende centjes waar de elite een feestje van bouwt.

Het lijkt me dat de bevolking krachtiger signalen moet kunnen afgeven. Nu zijn er enkel de donoren die slechts een paar jaar te gast zijn in de hoofdstad, bewapend met niets dan af en toe een zorgelijke blik.

Onze gids in Abomey schudt het hoofd om zulke vermetele gedachten. Tijdens een tour langs de afkruimelende paleizen van het Dahomey-koninkrijk proberen we hem uit te horen over de Beninese politiek. Hij beweert zelf af te stammen van de koningen die er geen been in zagen om met hun bloeddorstige amazones buurvolkeren uit te buiten en als slaven te verkopen.

Het zijn Suske en Wiske-achtige verhalen van mensenoffers en kookpotten. Maar nu zit hijzelf stuk omdat de huidige machthebbers 20 procent van al zijn verdiensten afromen voor de restauratie van de paleizen, zonder dat hij daar ooit iets aan ziet gebeuren. Zijn koninklijke bloed ten spijt, durft hij daar niet hardop over te klagen. “Dan zorgen ze er wel voor dat ik mijn mond hou.’

Die ‘ze’ hebben het goed voor elkaar. Veel gratis geld waar je weinig voor hoeft te doen, omdat het de mensen die jij vooruit moet helpen, door gebrek aan opleiding of door angst niet aan de bel trekken.

Abomey is een van de grotere steden in Benin. Wij slapen in het beste hotel. Toch is er de helft van de tijd geen stroom en nog vaker geen water. Als de wifi even aan schiet, haal ik een Vrij Nederland-artikel binnen waarin de bazen van organisaties als ICCO en Novib hun beklag doen over de shocktherapie die door minister Ploumen op hen wordt toegepast. Kortweg: hun budgetten zijn door tien gedeeld en dat geld wordt nu besteed aan subsidies voor Nederlandse bedrijven die willen ondernemen in ontwikkelingslanden.

Als dat tot banen voor Afrikanen leidt, is dat mooi. Maar het ongebreidelde afromen aan de top zal er zeker niet minder om worden.

Stel nou dat ‘het Westen’ zijn geld zou zetten op de honderdduizenden Afrikanen die elk jaar het lef hebben om de Sahara en de Middellandse zee over te steken. Die geven we meteen de papieren om bij ons te kunnen werken plus een technische dan wel academische opleiding. Op voorwaarde dat ze na maximaal 5 of 10 jaar naar hun thuisland terugkeren. Met een paar miljard euro per jaar moet Nederland alleen dat al voor tienduizenden mensen kunnen betalen.

Gaandeweg creëren we zo jaarlijkse remigratiegolven van mensen die het lef, de kennis en het geld hebben om hun omgeving te inspireren tot actie en hun leiders te dwingen om te doen waar ze voor gekozen zijn (of waarvoor ze hun voorganger hebben omgelegd).

In het grote geheel der dingen zal dit idee natuurlijk nooit uitgevoerd worden. Misschien is dat maar goed ook. Er zijn in de loop der eeuwen al meer Jovo’s met mooie plannen op deze kusten neergestreken en dat leidde zelden tot iets goeds.

Foto: Maarten van Heems.

Maarten van Heems
Maarten van Heems is partner bij BKB en fervent wielrenner. Hij werkte aan campagnes voor onder meer KNVB, Alliander, ministerie van SZW, Movember en Tibet. Maarten doet de Europese PR voor Junkie XL en geeft campagne- en communicatietrainingen in Oost-Europa, het Midden-Oosten en Zuid-Afrika. Hij studeerde eerder Geschiedenis in Amsterdam en Russisch in Odessa.