Natuurlijk zou die berg er niet komen

Het was een leuke hashtag, in de zomer van 2011, #diebergkomterwel. Nederland was in de ban van die Berg die er echt zou komen. Niet alleen bedenker Thijs Zonneveld zelf, wie bezwijkt er niet voor de aandacht van de wereldpers, maar er liep werkelijk niemand in de media rond die zei ‘jongens, dat ding gaat er niet komen. Leuk idee maar verzin maar wat nieuws’.

Integendeel. Televisie (KvdB), radio (Vara), de NOS en alle kranten gaven uitgebreid podia en maakten zelfs bijbehorende animaties en gaven locatiesuggesties:

Zelfs politici hadden aangegeven wel wat te zien in de komst van De Berg. “Als dit plan geen luchtfietserij blijkt te zijn dan laat Zwolle een eventuele kans voorbij gaan. Wat zeggen onze kleinkinderen later?”

Thijs en zijn berg werd geen strobreed in de weg gelegd, terwijl elk weldenkend mens wel moest concluderen dat dit helemaal nergens op sloeg. Om de ‘tweeduizend meter hoogte’ te visualiseren photoshopte ik in 10 minuten onderstaand plaatje:

image

Maar dat mocht niet baten. Zoals communicatieadviseur Hans Anker het verwoordde:

 

We zijn ruim anderhalf jaar later en opeens blijkt het niet te kunnen. Thijs heeft lezingen in het hele land kunnen geven, honderden studenten hebben kunnen afstuderen, bedrijven hebben zich mooi kunnen profileren, Sywert heeft goh kunnen roepen en Nederland heeft even kunnen ‘dromen’.

Het AD mag nu mooi koppen ‘de berg komt er niet’, in het stuk met de titel ”De Nederlandse berg van twee kilometer komt er” werden nul vraagtekens gesteld. De krant mag zich mooi verschuilen achter de aanhalingstekens toen, het gebrek aan kritische vragen laat zien hoe graag kranten meebouwen aan luchtkastelen die ze later zelf weer kunnen doorprikken.

Wanneer we al die energie in deze mooie ‘dromen’ eens in iets wat wel haalbaar was zouden stoppen en de journalistiek wat minder pageviews zou willen scoren met luchtfietserij komt er wellicht een keer echt iets van de grond.

Tot die tijd is het wachten op het volgende idee waar we helemaal van in de ban van kunnen zijn, en op het boek van Thijs Zonneveld zelf natuurlijk.