Mijn opa, mijn vader en Den Uyl

De Tweede Kamerverkiezingen zijn voor veel partijen een klassiek herijkingsmoment. Ook ik denk, in de aanloop naar 15 maart, na over politiek en idealen, over politiek en mijn idealen. Ik kom dan al gauw bij mijn opa uit.

800px-joop_den_uyl_1981

Eerder dit jaar overleed de beste man. De man die, vlak voor mijn geboorte, mijn ouders een brief schreef met daarin: in geval van een meisje, noem haar dan Jamila. De man die mijn vader uitkoos om voor te gaan rennen, een paspoort te regelen, en hem richting Europa te sturen. Naast het gebruikelijke verdriet, heerst er vooral veel erkentelijkheid voor die man, mijn opa.

Ruim vier decennia geleden verliet mijn vader Marokko en begon aan het avontuur dat Europa heet. Land na land, stad na stad, baantje na baantje, eindigde hij in de Pijp in Amsterdam. Hier zou hij zich gaan settelen, hier zou hij vader worden van acht kinderen, hier zou een betere toekomst starten.

Mijn vader is een echte verhalenverteller en zo gebeurt het regelmatig dat hij begint over dat begin in Amsterdam, midden jaren 70. Het duurt dan niet lang voordat één naam valt, een naam waarvan ik kan zien dat het wat met mijn vader doet, een naam die in veel Marokkaans Nederlandse gezinnen heilig is verklaard. Eén naam! Den Uyl! “Aaah, Den Uyl”, zegt hij dan om vervolgens een paar tellen stil te zijn.

Als mijn vader het over Den Uyl en de Partij van de Arbeid heeft, dan heeft hij het over het verhaal van ‘je moet het zelf doen, but we got your back‘, het verhaal van ‘je mag er zijn, je hoort erbij’, het verhaal van ‘iedereen heeft recht op onderwijs’, het verhaal van ‘wij laten niemand in de steek’. Hij heeft het dan over het verhaal van solidariteit. Dat verhaal, doorgegeven door mijn vader, heeft mij lid gemaakt van de PvdA. Dat verhaal bracht mij bij FNV Jong als vicevoorzitter. Dat verhaal brengt mij dit jaar naar de Verenigde Naties als VN Vrouwenvertegenwoordiger 2017.

Maar de afgelopen jaren is er iets veranderd. Het verhaal van solidariteit staat voor mijn vader nog steeds als een huis, maar de verhalenvertellers van zijn partij vertelden dat verhaal niet meer genoeg. Niet overtuigend genoeg en niet vaak genoeg. Toch zagen we elkaar tijdens de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart 2014 bij mijn oude basisschool, om samen te gaan stemmen op de PvdA, zoals we dat bij elke verkiezing hadden gedaan. In de aanloop naar die dag en tijdens de wandeling naar de stembus zag ik voor het eerst de twijfel bij mijn vader. Ik zag aan hem dat de twijfel hem pijn deed. Hij wilde eigenlijk niet meer op de PvdA stemmen, maar kon daar nog niet aan toegeven. Twee maanden later, op 22 mei 2014, de dag van de verkiezingen voor het Europees Parlement, belde ik mijn vader op om af te spreken om samen te gaan stemmen. “Ik heb al gestemd,” is wat hij zei. Ik wist genoeg, hij had gebroken met de PvdA. De verkering was voorbij. Het was over en uit. Het deed hem pijn. Het deed mij pijn. Mijn vader geloofde er niet meer in. Die dag ging mijn inner politieke junkie een beetje dood.

Ik snap mijn vader heel goed. Ook ik zie, hoor en voel dat het in Nederland minder gezellig is dan voorheen. Dat solidair zijn met elkaar bijna een zonde lijkt. Dat het niet meer normaal is dat iedereen dezelfde kansen en mogelijkheden krijgt. Dat je je moet invechten en vooral normaal moet doen. Dat we in een competitie vluchtelingen bashen terecht zijn gekomen. Dat die waardevolle en kostbare vrijheid van meningsuiting vooral wordt ingezet om jou en mij tegenover elkaar te zetten. Dat we, hoewel we het meest diverse land van de wereld zijn, we steeds minder van die diversiteit moeten.

We staan aan de vooravond van historische en belangrijke verkiezingen. Met een campagne waar ras, etniciteit, identiteit, migranten en vluchtelingen centraal staan. Er staan ons debatten te wachten over wie hier wel en wie hier niet mag zijn. Over of – en wat je mag geloven. Over wantrouwen in de politiek, wantrouwen naar Europa, wantrouwen naar elkaar toe.

Ik hoop van harte dat we dat tij kunnen keren. Dat te midden van het verkiezingstumult waar we in zitten, te midden van al het campagnegeschreeuw waar we al getuige van mogen zijn, te midden van het campagnegebrul dat komen gaat, dat partijen en diens kandidaten weer gaan staan voor solidariteit. Dat ze weer gaan staan voor het naar elkaar en naar de ander omkijken. Dat ze weer gaan staan voor de helpende hand naar elkaar en naar de ander reiken. Hoe anders die ander ook mag lijken, hoe anders die ander ook mag zijn.

Als ik de kandidaat-politici iets mag meegeven, dan ik zou ik in goed Nederlands willen zeggen: Make solidarity great again!

Foto: Nationaal Archief / Wikimedia Commons.