Het is erbarmelijk gesteld met de strijd voor transparantie op het Binnenhof

Twee weken geleden werd het Kamerdebat gehouden over ‘de invloed van bedrijfslobbies op wetgeving’, aangevraagd door SP-Kamerlid Van Gerven. Het debat was vooral weer een herhaling van zetten.

Aanleiding voor het debat was een promotieonderzoek van de Universiteit Utrecht over de macht van gevestigde bedrijven rondom het energiebeleid. Nadat acht weken geleden (na jaren vertraging) de initiatiefnota Lobby in daglicht van Kamerleden Bouwmeester en Oosenbrug (PvdA) met veel poeha werd gepresenteerd, leek het debat van afgelopen donderdag een goede gelegenheid om de voortgang te peilen van de politieke strijd om ‘de lobby’ transparant te maken.

Zoals wel vaker in de politiek was het debat voornamelijk een herhaling van zetten: de PVV beklaagde zich over de asiellobby, de VVD nam het op voor de belangenbehartigers, en de rest had het over ‘het algemeen belang’ en andere open deuren. Opvallend was hierbij de rol van de PvdA en de SP, die elkaar bevochten over wie de credits mocht krijgen voor voorgestelde transparantiemaatregelen: ‘De PvdA heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend. Het verbaast mij zeer om nu de SP zo’n beetje het hele initiatiefwetsvoorstel te horen oplepelen zonder bronvermelding,’ aldus PvdA-Kamerlid Vos.

Kleuters
Waarop de eerder genoemde van Gerven reageerde: ‘Het mooie van de PvdA is dat ze juist allerlei mooie elementen heeft ingebracht die wij ook allang hebben ingebracht.’ In plaats van constructief bij te dragen aan het debat gaven beide partijen de indruk meer bezig te zijn met wie zich de baas van de linkervleugel mocht noemen – een vertrouwd ritueel. D66’er Verhoeven sprak dan ook terecht van ‘kleuters die elkaar de maat nemen’.

Wat opviel (of cynisch gezegd niet opviel) was het advies van minister Kamp (Economische Zaken) op de motie van Van Gerven over de invoering van een zogenoemde lobbyparagraaf aan wetsvoorstellen. Deze werd door de minister ontraden, omdat hij ‘niet precies weet hoe je dat allemaal beoordeelt’, daarmee verwijzend naar de vraag welke situaties tellen als ‘lobby’ en welke niet. Ook werd het aloude argument van de ‘onnodige bureaucratie’ aangehaald. Beide zijn veelgehoorde overwegingen als het gaat om het betwisten van lobbyregulering, en beide zijn, mijns inziens, nonsens.

Allereerst was er op moment van spreken al een heel debat gaande over het onderwerp ‘lobby’. Politici weten dus wat het fenomeen behelst, en hoewel er verschillen zijn in semantiek, bestaat er wel degelijk een algemeen begrip over. Tel daarbij op de gedachte dat politici de eindverantwoordelijkheid hebben om belangen af te wegen, en de conclusie is dat die overwegingen prima in een paragraaf kunnen worden samengevat.

Open democratie
Of hier dan ook de ‘twee minuutjes tijdens een informeel diner’ bij horen is aan de politicus of bewindspersoon – het gaat hierbij om toerekenbaarheid. Neem een voorbeeld aan het openbare geschenkenregister van Kamerleden: vanaf 50 euro verplicht en gecontroleerd door de media en het publiek. Als een situatie buiten de beoogde paragraaf wordt gelaten, dan moet dit ook tegenover hen kunnen worden verklaard. Wat betreft het tweede argument kan ik kort zijn: een open democratie mag best wat kosten, zowel qua tijd als geld.

Het is dus erbarmelijk gesteld met de strijd voor transparantie. Initiatiefnemers vechten elkaar de tent uit over wie het lekkerst bezig is, en de gevestigde orde blijft zich verweren met dezelfde verlammende argumenten. The more things change, the more they stay the same.

Foto: RVD / Wikimedia Commons.