Hallo mijn slaaf, alles goed?

Taximan is boos. Om niet te zeggen woedend. Een paar weken geleden schoten twee tieners twintig mensen dood in het beste hotel van de stad. Het was voorlopig de grootste aanslag in Bamako aan het einde van een jaar vol onrust en incidenten. Dit keer reageerde de president niet alleen met een toespraak maar ook met het uitroepen van een maandenlange noodtoestand. En precies dat zit mijn vriend dwars, want daarmee zijn alle wielerwedstrijden in Mali afgelast.

Maarten van Heems en Taximan

‘Voor wie is die noodtoestand? Wie wordt daar beter van? Nu valt het land helemaal stil. Alsof we al niet genoeg honger lijden. Dat snapt onze president niet. Hij weet niet wat honger is, hij weet alleen hoe hij ervoor kan zorgen dat zijn vrienden geen honger hebben.’

Mijn hoofd gonst nog na van het festival van de avond ervoor. Bij het Maison des Jeunes gaf de jongste generatie Malinese muzikanten in de openlucht een fantastisch concert voor honderden dansende en drinkende jongens en meisjes. Er waren weinig andere blanken komen opdagen. De meeste ambassades en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) hebben hun mensen geïnstrueerd om drukke plekken te vermijden. Maar verder was het er druk, donker en chaotisch, met nauwelijks beveiliging. Ideaal terrein voor een nieuwe aanslag. Waarom dit festival wel mocht door gaan en een peloton straatarme jongens niet een paar rondjes op de Boulevard de l’Indépendance mag rijden, lijkt weinig rationeel. Maar op rationaliteit zijn de autoriteiten hier sowieso vaak moeilijk te betrappen.

Om ons heen is het een komen en gaan van luxe wagens die jonge stelletjes afleveren. Het verzamelpunt van ons wielergroepje is voor de ingang van het nationaal museum. Een geliefd plekje om in alle vroegte je trouwfoto’s laten maken. ‘Dimanche à Bamako, c’est le jour de marriage’. Het liedje van Amadou en Mariam was jaren geleden in een Amsterdams café mijn eerste kennismaking met de plek waar ik nu woon. De rijkeluiskindjes bevinden zich ruim binnen gehoorsafstand, maar het maakt Taximan niet uit wie er mee luistert. Het is een vrij land, dus onze zelfbenoemde coach, die al jaren geen taxichauffeur meer is, maar de bijnaam nooit meer kwijtraakt, gaat rustig door met zijn aanklacht tegen de elite. Boven zijn vrolijke wielershirt met het logo van een Nederlands bouwbedrijf spuwen zijn ogen vuur.

‘Vroeger had elke familie haar krijgers. Zonen waren trots op hun vaders en grootvaders en beschermden hun land. Toen hebben we burgers van onszelf laten maken. Met generaals die op zachte kussentjes in hun villa’s zitten. Jij denkt dat we in oorlog zijn, maar het is niets dan criminaliteit. En iedereen hier om je heen pikt een graantje mee. Die aanslagen komen de hoge heren vast alleen maar goed uit. En wat doet de Malinees? Niets. Hij zwijgt, hij wacht, hij accepteert. Onze regering hoeft niet te regeren omdat wij niet zullen klagen. Zo zitten wij in elkaar. We zwijgen, wachten en accepteren tot we ontploffen. En dan is de president nog niet jarig.’

Ik moet denken aan de ‘325-behandeling’ die de kleine dieven ten deel valt als ze op straat gepakt worden. Dan verandert een kleurrijke markt met gemoedelijke Malinese gezinnen in een plotselinge hel. Met 300 francs aan benzine en 25 aan lucifers wordt de onfortuinlijke dader in lichterlaaie gezet. Vaker wordt er wraak genomen met de vuist in plaats van met vuur. Maar ook die methode leidt vaak genoeg tot de dood. Een gruwelijke manier om het evenwicht te bewaren in een land zonder daadkrachtige politie.

Maar dat evenwicht raakt steeds meer verstoord. De crisis in het noorden brengt chaos in het hele land. Het aantal kleine dieven groeit nu sneller dan de massa kan lynchen. Mijn en dijn is steeds minder heilig. Malinezen zeggen dat het vroeger beter was. Dan hebben ze het niet over de jaren zestig, maar over een paar jaar geleden. Er zijn geen betrouwbare misdaadcijfers, maar veel mensen geven als voorbeeld dat de nachten gevaarlijker zijn geworden. Wie er nu in het donker met de brommer opuit trekt riskeert een terugkeer te voet. Met een blauw oog, of erger. Vooral als de ramadan of het offerfeest in aantocht is en iedereen geld nodig heeft.

De president is aan de macht gekomen met de belofte de sterke man te zijn die Mali nodig heeft. Maar hij heeft het niet waargemaakt. En zo groeit de onvrede, groeit de pijn, groeit de opgekropte woede die het regime ineens de kop kan kosten. Met weer een nieuwe coup die Mali veel meer dan 325 francs zal kosten.

We stappen op. Bocht na bocht klimmen we Bamako uit. Over het prachtige asfalt dat naar het presidentieel paleis voert. Onder ons ontwaakt de snelst groeiende stad van Afrika. Om half acht ’s ochtends al sidderend in warmte en stof. Aan beide zijden van de traag stromende Niger huizen en hutjes zo ver het oog reikt. De enige wolkenkrabber die door de smog heen priemt wordt bezet door MINUSMA, de dodelijkste vredesmissie in de zeventigjarige geschiedenis van de Verenigde Naties. Een toren van Babel om ons dagelijks te herinneren aan het etterende conflict dat zich officieel in het schaars bevolkte noorden afspeelt, maar dat zich steeds verder uitstrekt naar het dichtbevolkte Centraal-Mali rond de rivier.

Een schroeiende pijn trekt door mijn benen terwijl ik me verbijt om in het spoor van Diakariba te blijven. Hij mag dan nationaal kampioen zijn, mijn fiets is beter en hij heeft geen kokkin die hem pannenkoeken als ontbijt serveert. De kinderen die we passeren juichen voor mij. ‘Toebab, toebab!’ Een blanke op een fiets. Dat ze dit nog eens mochten meemaken. Achteraan zwoegt Taximan op een veel te zware versnelling naar boven. Zijn derailleur weigert al een tijdje dienst en hij kan niet meer licht schakelen. Zolang hij er nog bij kan blijven, houdt hij de verrichtingen van zijn pupillen in het oog. En als hij ons definitief moet laten gaan, keert hij terug om alvast bananen te kopen voor na de training. Hij wijt zijn steevaste lossen aan een sluimerende malaria en een gebrek aan vitamines. In huize Taximan moeten vrouw en zeven kinderen het doen met tweemaal groente of fruit per week. Daarom vrees ik bij elke banaan dat ik hun het eten uit de mond stoot. Maar ik waak ervoor dat te benoemen, want onze vriendschap bestaat bij de gratie van het feit dat we geen punt maken van het gigantische verschil in welvaart. Wat ook niet zo opvalt als we allebei ons wielertenue aan hebben.

Bovenop de ‘heuvel van de macht’ draaien we naar rechts. We zetten koers naar garnizoensstad Kati, met het Koulouba-paleis in onze rug. Dat paleis was de zetel van de Franse gouverneur vanaf het einde van de negentiende eeuw, toen Bamako nog bestond uit een verzameling lemen hutten. Sinds de onafhankelijkheid is het de zetel van de geliefde eerste president Modibo Keita en zijn minder geliefde opvolgers. In maart 2012 werd het bestormd door soldaten die onze route in omgekeerde richting namen.

Destijds leed het leger in het noorden van Mali gevoelige verliezen tegenover de opstandige Toearegs en jihadisten. Die konden na de val van de Libische dictator Khadaffi vrijelijk de Sahara oversteken naar de zwakste staat in de buurt. Dit falen op het slagveld lag volgens de militairen niet aan henzelf, maar aan de zwakte van president Amadou Toumani Touré en de corruptie van de legerleiding. ATT, zoals hij in de volksmond wordt genoemd, was bekend met coups d’état. Bijna op de dag af eenentwintig jaar voor hij zelf werd afgezet, wipte hij dictator Moussa Traore uit het zadel met zijn eigen staatsgreep. Zo blij als het volk vaak is met zo’n abrupte wisseling van de macht, zo bevreesd zijn politici ervoor. Om de kans op volgende coups te verkleinen, investeerden de politici sindsdien niet al te veel meer in het leger. Dat was dan ook te zwak om een potje te breken in de strijd tegen de opstandelingen, maar nog wel daadkrachtig genoeg om de regering omver te werpen en de doos van pandora nog verder open te zetten.

Op onze route passeren we hun kampen en instituten. De weg ziet groen van de brommerende uniformen. Amadou Sanogo, de leider van de groep soldaten die ATT afzetten, wordt nog altijd verheerlijkt op muurschilderingen. Hij was slechts twintig dagen aan de macht, maar dat was lang genoeg om het hele noorden onder de voet te laten lopen de opstandelingen. Onder grote druk vanuit binnen- en buitenland liet Sanogo alsnog de presidentsverkiezingen doorgaan. Die zouden toch al twee maanden later plaatsvinden en ATT, die er al twee termijnen als democratisch gekozen president op had zitten, had zich niet verkiesbaar gesteld. Over zinloze coups gesproken.

Na een overgangsperiode werd IBK president. Voluit heet hij Ibrahim Boubacar Keita, maar een goede Malinese leider gaat door het leven als drie letters. Dat past beter op t-shirts en posters.

Achter de checkpoints wordt het paleis voor veel geld weer opgekalefaterd. Het nieuwe staatshoofd weet van uitgeven. Hij schafte kort na zijn aantreden een groot presidentieel vliegtuig aan en onder zijn verantwoordelijkheid verdwenen er miljoenen aan overheidsgeld via schimmige aankopen voor het leger. Malinese soldaten hebben waarschijnlijk niet de beste sokken ter wereld, maar wel de duurste. Dit alles tot grote ergernis van het IMF en de internationale gemeenschap, die Mali sinds jaar en dag overeind houden door samen ongeveer een derde van de staatsbegroting op te hoesten.

Op papier heeft de president zijn belangrijkste belofte ingelost. In het voorjaar van 2015 tekenden de strijdende partijen in het noorden een vredesakkoord. Te oordelen aan het aantal minibusjes, restaurantjes en marktkraampjes dat ‘Mali’ en ‘vrede’ in de naam verwerkte, liet hij daarmee een hartenwens van het electoraat in vervulling gaan. Maar papier en praktijk vallen niet automatisch samen. Vóór het akkoord gold vooral het noorden van het land als onveilig, sindsdien voeren de partijen die niet aan tafel zaten, zoals bijvoorbeeld Al-Qaeda in de Mahreb, de strijd op. Tijdens veiligheidsbriefings krijgen we kaarten te zien waarop criminele, separatistische en terroristische incidenten met gekleurde stipjes aangegeven worden. Die stipjes worden na verloop van tijd zo talrijk dat ze samenvloeien tot vlekken. Complete streken waar kort geleden nog de fragiele macht van de staat gold en ontwikkelingsprojecten werden opgezet, zijn nu no-go-zones geworden waar bestuurders en westerlingen hun gezicht niet meer durven te laten zien. En die stipjes rukken op. Eerst maakten ze een ruime boog om Bamako heen, met overvallen op gendarmerieposten in het grensgebied met Ivoorkust en Burkina Faso. Daarna omsingelden ze in een steeds kleiner wordende cirkel de hoofdstad. Tot die hoofdstad voor het eerst in haar geschiedenis zelf met aanslagen te maken kreeg. Eerst op een discotheek, daarna op huizen en auto’s van de VN, vervolgens een grote aanslag op het Radisson-hotel. De brutaliteit en de kwaadaardigheid groeit met elke aanslag waar geen serieus antwoord op komt. Omdat de Malinese overheid en het veiligheidsapparaat niet alleen incompetent lijken, maar zelfs onverschillig, gaan de gesprekken onder expats over weinig anders dan voorspellingen waar en wanneer de volgende aanslag zal plaatsvinden. Het zal net als de vorige aanslagen gebeuren op een plek waar we allemaal wel eens komen. Dat voedt het surreële gevoel dat het gevaar steeds dichterbij komt. De meeste westerlingen zijn gewend dat hun levens door tijd en plaats gescheiden worden van ellende. Hier is het alleen nog door tijd. We waren op die fatale dagen toevallig niet in La Terrasse of in het Radisson, terwijl we er allemaal wel eens komen. Wat als onze agenda’s een volgende keer samenvallen met die van een terrorist?

Toch blijven we. Want tot dat gebeurt zijn onze levens goed hier. Diplomaten en ontwikkelingswerkers worden warm en hartelijk ontvangen door lokale bestuurders, ambtenaren en experts. Ze nemen ruim de tijd om ons te ontvangen en het ons naar de zin te maken. Het is een en al hoffelijkheid en gezelligheid en tegen de tijd dat je je zorgen begint te maken dat jijzelf meer urgentie voelt bij het oplossen van de problemen in Mali dan je Malinese partners en collega’s, zit je al gevangen in het systeem. Om dan nog met je vuist op tafel te slaan, dat zou echt een faux pas zijn. Het zou ook weinig indruk maken, want iedereen weet dat jij binnen een paar jaar weer weg bent. En jij leeft bijkans nog beter van die jaarlijkse miljarden dan zij. Grote huizen met zwembaden en overvloedig personeel maken veel goed. De muziek, de kleuren, de warmte, de openheid van lokale bevolking, het is op weinig plekken fijner internationaal samenwerken dan hier. En er is werk zat. Ook na ruim vijftig jaar onafhankelijkheid en even zo vele jaren westerse hulp heeft zo ongeveer een derde van de bevolking geen of onvoldoende toegang tot schoon drinkwater. Vier op de vijf Malinezen beschikken niet over adequate sanitaire voorzieningen. Slechts een op de vijf ziekenhuizen en klinieken heeft dat wel en niet meer dan een op de acht scholen. Tien procent van de kinderen sterft bij geboorte. Twee derde van de mensen is analfabeet. Miljoenen mensen lijden jaarlijks voor kortere of langere tijd honger. En het platteland is nauwelijks geëlektrificeerd. Het enige probleemlijstje waarop Mali laag scoort is het percentage mensen met obesitas. Met mijn magere wielerlijf behoor ik zeker tot het dikste kwart van de bevolking.

Zelfs zonder oorlog, terreur en crises zoals ebola kunnen we onze mouwen dus opstropen. En dat doen we dan ook met liefde. Of de motivatie nu schuldgevoel over het koloniale verleden is, of oprechte filantropie. Of het nu is om het Nederlandse bedrijfsleven vooruit te helpen in de wereld, of om migratie naar Europa bij de bron aan te pakken. Voor de realiteit op de grond maken die grillige politieke agenda’s niet heel veel verschil. De rode draad is namelijk dat we consequent kerntaken als toegang tot water, voeding en gezondheidszorg overnemen van een overheid, die zich daardoor nauwelijks hoeft te bekommeren om haar burgers.

Met onze bekommernis om die burgers ondermijnen we namelijk het sociale contract dat in een gezonde staat de bevolking zou dwingen een redelijk bedrag aan belasting te betalen en bestuurders zou dwingen om dat bedrag goed te besteden. Nu geldt eerder het tegenovergestelde. Als een analfabete boer al op het idee komt om zich bij iemand te beklagen over zijn lot, welke indruk maakt dat als zijn burgemeester zich er niet verantwoordelijk voor voelt?

Is het dan onze schuld dat Mali ‘geen regering heeft en ook geen volk?’ Zover wil Taximan niet gaan. Ten eerste zijn we vrienden en ten tweede is beleefdheid in dit land belangrijker dan welk probleem dan ook. Maar het geeft wel te denken. 2012 en 2013 waren de jaren waarin Mali een islamitisch kalifaat dreigde te worden in de achtertuin van Europa. In 2014 kwam daar de ebolacrisis overheen. In 2015 wordt het oude continent overspoeld door migranten en vluchtelingen. Mali scoort al jaren hoog als bron van en route voor migranten. Het noorden is zo lek dat wanhopige Syriërs inmiddels zelfs het vliegtuig pakken om via dit deel van de Sahara naar Europa te reizen.

Wanneer noties als staat en volk en de samenhang daartussen slechts ingebeeld zijn, ontstaan nieuwe problemen sneller dan je oplossingen voor de oude kunt ontwikkelen. Dat was in Mali misschien altijd wel al zo. Maar door betere communicatie, informatie en sociale media, door het gemak waarmee nu gereisd wordt, door onze rol in vredesmissies en door tientallen jaren ontwikkelingshulp, zijn de kaarten ondertussen zo geschud dat het ook onze problemen zijn geworden.

Hoe nu verder?

Dit is een voorpublicatie uit het nieuwe boek van BKB-directeur Maarten van Heems, ‘Hallo mijn slaaf, alles goed? Berichten uit Mali, een opgewekt land in crisis’. Het boek verschijnt begin september bij Uitgeverij Brandt. Op vrijdag 26 augustus wordt het boek ten doop gehouden op het kantoor van BKB. Bestel ‘Hallo mijn slaaf, alles goed?’ nu via Bol.com.

Reacties

blog comments powered by Disqus