Geheimen in een democratie zijn staatsgevaarlijk

Er komt een onderzoek van de Commissie van Toezicht naar de rol van de AIVD en MIVD bij het omstreden PRISM-programma. Daarbij zou het goed zijn om ook te kijken naar de Nederlandse betrokkenheid bij het Britse Tempora-programma.

Veel internationale aandacht gaat uit naar klokkenluider Edward Snowden. Hordes journalisten vliegen de wereld over, de klokkenluider achterna. We weten in welke landen hij asiel aanvraagt en wat de reacties daarop zijn. In de VS wordt de man gedemoniseerd. En wie herinnert zich nog Thomas Drake, de voormalig werknemer van de NSA? Hij onthulde in 2010 details over Trailblazer, de voorloper van het PRISM-programma.

In Europa waren de reacties in eerste instantie lauw. Immers, men wist ervan. Pas toen ook bekend werd dat de VS haar bondgenoten had afgetapt kwam de diplomatieke woede. En toch komt het belangrijke debat maar moeizaam opgang. Ook in Nederland. Het lijkt hier soms een ver-van-ons-bed show. De ik-heb-toch-niets-te-verbergen argument lijkt voor velen te gelden. Driekwart van de Nederlanders vindt afluisteren prima, zo kopte de Telegraaf naar aanleiding van een opiniepeiling door Maurice de Hond. Terwijl de cijfers uit dat onderzoek genuanceerd zijn. Zo vindt een meerderheid dat aftappen alleen met tussenkomst van een rechter zou moeten kunnen.

We weten te weinig over deze omstreden programma’s: wie daarbij betrokken is, welke democratische controle en legitimiteit dit soort praktijken wordt toegekend en er wordt te weinig gesproken over wat de staat wel of niet verborgen mag en kan houden en hoe dat vervolgens gecontroleerd kan worden. We leven tenslotte in een democratie en rechtsstaat.

Tegelijkertijd weten we dat in Nederland veel meer telefoons worden afgeluisterd dan in omringende landen: gemiddeld 1 op de 1000 inwoners. Volgens het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum blijkt dat dit vele afluisteren zelden direct bewijs oplevert om misdaden op te lossen. We kennen de koppigheid waarmee inlichtingendiensten en bewindslieden zich verzetten tegen transparantie over allerlei internettaps en het aantal vorderingen van gegevens van privécommunicatie met diensten als Twitter of Facebook. En terwijl cijfers maar niet boven water komen, en de CTIVD ontoelaatbare overtredingen constateert, eisen bewindslieden doodleuk meer bevoegdheden om te kunnen afluisteren.

Als de overheid zo graag ongeremd iedereen wil afluisteren, dan moet de overheid zelf ook opener worden. Grootschalige afluisterprogramma’s of beleid zijn iets anders dan geheimhouding over een lopende zaak. In een democratische rechtsstaat is de overheid nog altijd voor en van de burgers. Zij moeten in staat zijn de macht te controleren. Zij moeten weten of er een zorgvuldige afweging tussen veiligheid en privacy is gemaakt. Zij zullen de reikwijdte moeten kunnen afwegen; met wie die informatie wordt gedeeld, hoe betrouwbaar dat is, welke controlemogelijkheden er zijn en of dit soort praktijken überhaupt binnen de wet vallen. Deze vragen kunnen niet worden beantwoord en de overheid kan niet ter verantwoording worden geroepen als dit soort grootschalige praktijken grotendeels onder de radar blijven. Want als dat gebeurt dan blijkt straks zelfs dat democratie een gevaar is voor de staatsveiligheid.